Slachtoffer en Gedrocht

Terwijl Heleen voorzichtig haar bovenlip over de lepel heen krulde en de gloeiend hete soep naar binnen slurpte, voelde ze dat er iemand in de buurt was. Haar tenen trilden en haar puisten jeukten en dat gebeurde alleen als de drift geactiveerd werd. 

‘Welk misbaksel haalt het in z’n hoofd mijn gebied te betreden!’ Ze liet de lepel in de soep vallen en schuurde met haar nagels over de tafel. Niemand had het ooit aangedurfd om bij haar in de buurt te komen en dat was precies zoals het hoorde. Ze had in het verleden zelf vaak genoeg het territorium van een ander ontheiligt, en daar de nodige littekens aan overgehouden, maar andersom, dat was nog niet voorgekomen. 

Ze stampte richting het raam en ontweek de Sansevieria die met zijn harde en puntige bladeren door de tralies stak. Ze had de plant tussen de keuken en de eetkamer gehangen zodat ze vanuit elke hoek naar de ‘gekooide ellende’ kon kijken. Vanwege haar oude beenderen was ze niet meer in staat om kinderen te vangen en dit deed haar denken aan de goede oude tijd. 

Buiten klonterden zware, grijze wolken samen boven de sluis en vormden een lange slurf die over de rivier trok. De heftige weeromslag was een gevolg van de wrijving tussen haar energieveld en dat van haar rivaal. De natuur zorgde er altijd voor dat het gespuis een schuilplaats zocht wanneer haar soort iets uit te vechten had. Ze concludeerde dat het nog wel even zou duren voordat het galgenbrok bij haar was.

Met grote tegenzin goot ze het restje soep door het putje en liep vervolgens naar haar kast met vertrouwelingen. In de kast stonden twee katten, twee raven, een vos, een wasbeer, een kameleon en een dwerg. De dwerg daar was ze uitermate trots op. Het was voor haar een sport geweest om bijzondere vertrouwelingen te verzamelen en een dwerg vangen en domesticeren, is op z’n zachtst gezegd een uitdaging. Het was haar uiteindelijk gelukt nadat ze ontdekt had dat dwergen erg gevoelig zijn voor elektriciteit. Het ventje had haar daarna toch zeker zo’n jaar of acht uitzonderlijk gediend. 

Nadat haar knechtjes waren heengegaan had ze hen zorgvuldig gevild, een gipsafgietsel gemaakt en ze stuk voor stuk in een sierlijke pose geprepareerd. Een hels karwei maar zeer bevredigend.

Uit de onderste la van de kast pakte ze een groot mes met een ivoren heft. De laatste keer dat ze het gebruikt had, stond haar nog helder voor de geest. Ze was een man tegengekomen. Hij was om je vingers bij op te eten zo mooi. Hij was perfect. Griezelig, akelig perfect en vanaf het eerste ogenblik wilde ze hem kapot maken. Ze moest en zou hem vermorzelen. 

Na dagenlang brouwen had ze een buitengewoon superieur zalfje gefabriceerd; een die haar een tijd lang schoonheid bracht. Elke ochtend gebruikte ze het middel en begaf zich in zijn omgeving. Ze paaide, vleide en flirtte er op los. Ze won zijn vertrouwen en uiteindelijk ook zijn hart. 

Op het moment dat hij zei dat hij van haar hield, had ze haar ware gezicht laten zien. Het was verrukkelijk geweest. Zijn pijn. Zijn afschuw. ‘Demoon,’ had hij geschreeuwd. ‘Helleveeg,’ had hij gejammerd. Hij had liggen sidderen van angst toen ze over hem heen kroop en het eerste symbool in zijn borst kerfde.

Haar mijmering werd verstoord doordat de luiken tegen de ramen kletterden. De wind was in kracht aan het toenemen. Het werd tijd om te gaan. Ze draaide snel haar lange grijze haren in een loszittende knot; te strak naar achteren vond ze niet fijn want haar huid had kreukelruimte nodig. 

Ze nam plaats op een krakkemikkig krukje en deed een poging haar schoenen aan te doen. Dat kostte haar altijd wat moeite, niet vanwege haar stramheid maar vanwege haar tenen. Ze had verschrikkelijk lange tenen die leken op dikke kindervingertjes. Ze deden vaak precies waar ze zelf zin in hadden en omdat ze ook nog trilden, werd het aantrekken van haar schoeisel er niet makkelijker op. Ze greep de tenen stevig vast waardoor ze een bundeltje vormden dat eruit zag als een homp volgevreten wormen. Vervolgens propte ze het kluitje in de punt, trok snel haar hand terug en liet haar hak zakken. Dat lukte meestal niet in een keer.

Ze trok haar mantel aan en hing haar buidel over haar schouder. Daarna opende ze de voordeur en stapte naar buiten, de zware geuren van boter en zwavel glibberden met haar mee. Haar ingewanden roerden zich als varkens die de slacht roken. De soep mocht dan wel niet meer koken, haar bloed deed dat wel.  

***

De oude man links of de familie rechts? Heleen stond boven aan de dijk in dubio. Regendruppels kropen via haar hand naar de punt van het mes. Daar smolten ze samen, vielen als een groter geheel op de grond en spatte uiteen. Ze keek nog eens goed naar de naderende storm. Links. De buurman. Ze had liever een vitaal persoon gekozen maar een heel gezin daar had ze nu de tijd niet voor. Helaas.

Onder de bronzen kip naast de brievenbus lag een reservesleutel. De man had haar ooit laten zien waar ze de sleutel kon vinden zodat ze in geval van nood bij hem kon komen. Waarschijnlijk verwachtte hij dat zij hem dezelfde informatie over haar sleutel zou verschaffen. De idioot. Hoe dan ook. Het kwam goed uit want dat noodgeval dat was er. Al was het waarschijnlijk een ander soort nood dan dat hij voor ogen had gehad. 

Ze draaide de sleutel in het slot. Het huis van haar buurman was helemaal donker. De man lag altijd vroeg in bed om zo sneller bij de volgende dag te landen. Ze liep de voorkamer in. Het was een benauwde, muffige ruimte waarin de angst voor een koutje het duidelijk won van de behoefte aan frisse lucht. Hij oogde propvol omdat er naast een stoel en een tafel ook een bed in stond. Het leefgebied van de man slonk naarmate zijn jaren toenamen en was inmiddels zo klein geworden dat zijn hele leven plaatsvond in één enkele kamer van het huis. Hij was niet echt levensmoe maar schurkte daar toch zeker tegenaan.

De man lag hard te snurken. ‘Wat wil je ook met zo’n vette pens,’ mompelde Heleen terwijl ze zachtjes langs de salontafel liep. Ze keek naar de op- en neergaande massa en dacht aan de hoeveelheid welriekende zeep die ze kon maken van al dat buikvet. Ze nam zich voor om dat te oogsten zodra ze afgerekend had met het inbreukmakende mormel.

Ze sloop langs het bed en keek in zijn plas emmer. Leeg. Dat scheelt weer, dacht ze. De inhoud van haar buidel: houtskool, zout, lucifers en gedroogde salie, stalde ze uit op tafel. De papzak sliep gelukkig gewoon door. Met de houtskool tekende ze een symbool op de grond en ze wilde net de emmer verplaatsen toen ze er plotseling tegenaan botste. 

‘Godverdddrrrr…’ Ze beet op haar lip. ‘Die krengen ook altijd.’  Ze vergat regelmatig haar tenen.  

‘Wat, wat.. Wie is daar?’ vroeg de man met een, nog met slaap gevulde, krakende stem. 

Heleen vloekte binnensmonds. Ze had helemaal geen tijd om zich bezig te houden met het onderkruipsel. 

‘Ik ben het de buurvrouw. Ik ben zo klaar. Blijf maar liggen.’ Ze strooide snel wat zout om het bed. 

‘De buurvrouw?’ Het duurde even voordat de woorden tot de man doordrongen. ‘Wat is er?’ Hij ging rechtop zitten. 

Ondertussen had Heleen het bosje salie met de lucifers aangestoken en slingerde ze het door de kamer waardoor de rook zich verspreidde en eruit zag als kleine spookjes die door de kamer zweefden. 

’Wat is er aan de hand?’ vroeg hij nogmaals. Zijn stem klonk nog steeds krakerig.

‘Een noodgeval,’ bromde Heleen, ‘dat is wat er aan de hand is!’ 

Gedurende zijn hele leven was de man eigenlijk nooit iets vreemds overkomen. Hij had uiteraard de voor- en tegenspoed gekend dat elk leven kenmerkt, maar hij besefte zich dat hij nog nooit met gekte of iets dergelijks van doen had gehad. En nu er plotseling een vrouw midden in zijn kamer rare gebaren stond te maken, wist hij bij God niet wat hij ermee moest. Hij koos voor de ‘gewoon-vriendelijk-blijven-tactiek’. ‘Gaat het wel goed met u?’ 

Heleen blies de rook van het brandende struikje in een van de hoeken van de kamer. 

‘Heeft u misschien een dokter nodig?’

‘Je moet weer gaan liggen,’ blafte ze en ze wees daarbij met de brandende salie in de richting van het hoofdkussen.

‘Ik zal een dokter voor u bellen en een kopje thee zetten. Wat dacht u daarvan?’ 

Van onder de dekens kwamen twee witte hompen vlees tevoorschijn; de man schoof naar de rand van het bed. Het was duidelijk dat hij moeite had zijn eigen gewicht te dragen. Heleen gruwelde van zijn onbeholpenheid. ‘Verdomme, ga gewoon liggen!’ riep ze. 

 Ik geloof niet dat ik daar behoefte aan heb.’ Hij schuifelde richting de telefoon. 

Heleen ging tussen hem en zijn lijn naar de buitenwereld staan. De man nam een duik naar voren en plotsklaps bevond ze zich in een zee van reuzel. Ze had beide handen plus haar eigen gewicht nodig om hem terug in bed te krijgen. ‘Ga je me nu nog energie kosten ook?’ bulderde ze.

Terwijl haar nagels steeds verder in de huid van de man verdwenen, keek ze om zich heen. Een schilderij met paardebloemen, een stoel, een tafel, een rij ansichtkaarten, een paar kamerplanten. ‘Daar heb ik toch niets aan!’ Ze draaide haar hoofd en bekeek de andere helft van de kamer. Haar oog viel op een Mariabeeld aan het voeteneinde van het bed. Dat moet dan maar, dacht ze. 

Ze concentreerde zich op het beeld en langzaam materialiseerde er een kopie van het Mariabeeld op de borst van de man. Het drukte hem verder het matras in.

‘Blijf rustig liggen,’ sprak het porseleinen gezichtje. ‘En hou je koest. Als je gehoorzaamt, is dit allemaal zo voorbij.’  De man keek van de verschijning naar Heleen en weer terug. Tot in de kern van zijn vezels drong de verschrikking van deze onnatuurlijkheid tot hem door. Hij graaide naar de bijbel die naast het kussen lag en hield het omhoog alsof het een schild was.

‘God sta op, riep hij, ‘verstrooi uw vijanden, verdrijf hen, laat de goddelozen vergaan van Gods aangezicht.’ Heleen gniffelde en om het dramatische effect te vergroten, liet ze het mes door haar hand rollen. De onnozelheid van de wezens die zichzelf als haar soortgenoot beschouwden, verbaasde haar telkens weer. 

    De man hield krampachtig het boek verder omhoog. Hij begon harder te bidden. .’Verpletter Satan onder uw voeten!’ riep hij uit.

   Heleen deed een stap naar voren en plaatste haar hand op zijn mond.’ Als je beweegt, dan kan ik je bloed niet goed opvangen dus niet doen!’ beet ze hem toe.

    ‘Ik ben niet bang voor de verschrikking in de nacht…’ murmelde hij tussen haar vingers door. ‘

   ‘Niet bang? Ze boog haar hoofd en fluisterde in zijn oor: ‘Meen je dat nou echt?’ Haar adem daalde als een sluier over zijn gezicht. Hij trok zijn neus op in een poging zijn reukzin uit te zetten. Ter hoogte van zijn kruis ontstond een natte plek.

   De man sloot zijn ogen. ‘Hemelse Vader, ik schuil bij u. Ik verblijf in de beschutting van de Allerhoogste… 

   Heleen greep de kin van de man vast en draaide met een ruk zijn hoofd om, hierdoor kwam zijn nek mooi bloot te liggen. De kloppende ader smeekte om verlossing. Net als de man. Heleen gaf hem dat met plezier. Met een chirurgische precisie sneed ze het bloedvat open en verlaagde zijn druk.

    De man spartelde nog wat tegen maar dat mocht geen naam hebben.’U bevrijdt mij… ‘ zijn stem stierf weg. Het bloed liep keurig de emmer in. 

Heleen plofte neer op de salontafel en stak een koffiekopje, dat ze naast zich op de tafel vond, in het straaltje warme levenselixer. Het gelaat van Maria trok naar iets dat op een glimlach moest lijken. Ze dronk gulzig. 

   Nadat ze met haar tong de laatste restjes bloed van haar verhemelte had verwijderd, stond ze op en kleedde ze zich uit. Haar kleren hing ze over de stoel voor het bed. Ze gooide de emmer leeg over haar hoofd en smeerde haar naakte, gerimpelde lichaam van boven tot onder in. Hier en daar tekende ze een symbool.

 Ze dacht aan haar moeder en aan de vadsige handen van een vadsige man die haar hoofd vasthield en haar dwong toe te kijken hoe haar moeder in vlammen opging. Ze was acht toen haar moeder geroosterd werd. Men had haar na afloop verteld dat ze dit uit naam van God hadden gedaan en dat zij had moeten kijken om haar voor de Duivel te kunnen behoeden. 

Ze hadden er niets van begrepen. Ze hadden niet begrepen dat het om verwantschap ging. Dat haar soort met gaven geboren werd. Ze hadden het zeker niet begrepen toen zij jaren later terugkeerde. Volgroeid. Krachtig. Onbedwingbaar. 

Ze had hen laten zien wat wreedheid is, hoe pijn echt voelt en waar kwelling naar smaakt en dat ze daar helemaal geen duivel voor nodig had. Ze keek naar het levenloze lijf van het ongedierte dat voor haar lag. Het waren dit soort mannen geweest.

 De regen sloeg inmiddels tegen de ramen; een teken dat haar vijand dichterbij kwam. Ze trok snel haar kleren aan, doofde de gloeiende salie en stapte de storm in. Haar drift verre van getemperd.

***

Heleen liep met grote passen over het olifantenpaadje dat langs de rivier liep. Het water gulpte grote delen van de oever naar binnen. In de verte lag de sluis. Hij stond open. Zijn deuren hingen als twee grote sikkelvormige gestalten in de lucht met hier en daar een knipperend rood lampje. Het tafereel deed haar denken aan een geabstraheerde vleermuis.

Ze had, toen ze klein was, een vleermuis zien kruipen door de tuin. Het beestje was door de hond uit de lucht gegrepen en gewond geraakt. Met zijn kleine klauwtjes sleepte het zich al bloedend pootje voor pootje voort; naarstig op zoek naar veiligheid. Al snel kwam haar moeder met een schep in haar handen naar buiten. Met een doeltreffende klap verloste haar moeder het wezentje uit zijn lijden. Daarna pakte ze vakkundig het lijkje op en nam het mee naar binnen. ‘Altijd handig,’ was daarbij de boodschap. Daar had haar moeder gelijk in gehad.

Doordat de afstand tussen haar en de naarling kleiner werd, vermengden beide energievelden zich met elkaar en ontstond er een cirkel met daaromheen een muur van bijtende regen. In het midden ontwikkelde zich een laaghangende mist. 

Heleen nam dat nauwelijks waar. Haar spieren, haar lijf, haar geest dienden nog maar een doel. De drift dwong haar te zoeken naar haar prooi zoals de honger dat bij een roofdier doet.

Vanuit de nevel kwam het loeder tevoorschijn. Een kleine, kromme vrouw die moeilijk liep en leunde op een kronkelende stok. Ze had drie jassen aan waarvan de zakken uitpuilden met spullen. Haar kleding was versleten en vervuild. Haar gezicht ging schuil onder een capuchon die in het verleden felrood geweest moest zijn.

Heleen werd overspoeld door haar drift. Hij schoot omhoog door haar lijf en concentreerde zich in haar geestesoog. Vuur is waar ze aan dacht en vuur is wat er ontstond. Ze voelde de hitte, rook de zwavel, bedacht de kleuren, proefde de gassen en wenste zuurstof. Toen het vuur flink laaide, materialiseerde het voor haar voeten. Ze liet het los en gaf het zijn opdracht.

Met een rotgang kroop er een brandende slang over het natte gras. Het vocht had geen invloed. Het begon te vreten aan de punten van de voorheen felrode jas. 

 ‘Rot op!’ Heleen mepte een mug dood die rond haar hoofd zoemde. Tegelijkertijd werd ze in haar hals geprikt. Plotseling steeg er een wolk van insecten op. Bijen, vliegen, muggen, libellen, horzels, wespen, het waren er honderden. Het zag er zwart van. Ze vlogen tegen haar hoofd en prikten in elk stukje blote huid die ze konden vinden. 

Heleen probeerde het steken te negeren en zich te blijven concentreren op het vuur. Door kleine openingen in zwerm zag ze dat er boven het hoofd van de vrouw een scheur ontstond waar okerkleurig zand uit stortte. Het vuur doofde. 

‘Kreupele feeks, schreeuwde ze, ‘verdwijn uit mijn gebied!’ Er vloog een vlieg haar mond in. Heleen besefte zich dat ze eerst iets aan haar eigen situatie moest doen voordat ze een tweede aanval kon starten. Ze greep haar gedachten bijeen dacht aan een weeïg ruikend, half rottende koe. Het kadaver verscheen op een paar meter afstand. Het overgrote deel van de insecten kon dit malse hapje niet weerstaan en raasde er als een dolle op af om daar af te dalen in de krochten van het karkas.

De vrouw schudde het zand van zich af waardoor de capuchon van haar hoofd gleed. Heleen, die al vele gezichten had gezien, huiverde. De vrouw bezat alle wanstaltigheden die haar soort kenmerkt maar alles was uitvergroot. Ze had een lange nek, een enorme neus, een puntige kin en een naar achterliggende kruin. Hierdoor kreeg haar hoofd de vorm van een wassende maan. De linkerhelft van haar gezicht hing naar beneden. Desolaatheid sijpelde door haar poriën.

De vrouw keek haar strak aan. Het leek alsof de aanblik van Heleen in een droge woestijn landde en daar als een olievlek in de bodem trok.

Dit is een waar duivelsgebroed, dacht Heleen, een bastaard van de hel. Nadat ze haar wraak genomen had op de moordenaars van haar moeder was ze op zoek gegaan naar de Duivel. Ze wilde weleens weten waarom iedereen zo bang was van hem. Misschien konden ze zelfs een pact sluiten had ze bedacht. Ze had op kruispunten staan schreeuwen, ze had mens offers gebracht, ze had hellegaten bezocht en demonen geprobeerd op te roepen. Niets had er gewerkt. Haar bevindingen waren dan ook dat zowel God als de Duivel larie en bangmakerij waren. De vrouw tegenover haar deed haar echter aan haar conclusie twijfelen.

‘Jij!’ schreeuwde het onverlaat. 

Heleen zag desolaatheid veranderen in haat. Een windvlaag dreunde haar naar achteren. 

‘Waar is Isolde?!’

Een tweede dreun. 

Duivelsgebroed of niet. Heleen liet zich in haar eigen territorium niet aanvallen.  ‘Donder op waar je vandaan komt, misgeboorte,’ spuugde ze terug. Ze verzamelde haar drift en gaf het de vorm van een onzichtbare vuist en beukte in op de vrouw. 

De manke ellendeling bewoog niet.

‘Waar is mijn dochter?’ brulde de vrouw nu met bijkomende handgebaren.

Ah, daarom gaat het dus. Nu heb ik je, dacht Heleen. Ze zag naast haat iets van wanhoop, een vleugje zwakte, een stukje menselijkheid. In gedachten liep Heleen haar eigen zolder op. Daar had ze een verzameling schepsels staan die ze net zo zorgvuldig als haar vertrouwelingen had gepreserveerd. Ze stond stil bij haar eerste creatuur.

‘Ik ken heel veel dochters waarvan de namen niet zijn blijven plakken. Is dit haar?’ Er verscheen een meisje tussen hen in. Ze zag eruit als een levensgrote, ijzingwekkend, gedetailleerde pop. Het meisje had donkere krullen en ravenzwarte ogen. Heleen wist dondersgoed dat dit niet de dochter van de vrouw tegenover haar was.

In gedachten liep ze naar haar volgende schepsel.

‘Dit dan?’

Er verscheen een grofgebouwd tienermeisje met een rond gezicht en haakneus.

‘Of dit?’

De tiener veranderde in een klein meisje dat meer weghad van een kip dan een mens.

Ze zag de woede in de vrouw toenemen. Heleen was in haar nopjes. Emoties verstoren de helderheid van de geest en vertroebelen de drift. De vrouw was als een vlieg in haar web.

‘Als je ze leeg laat bloeden en de ingewanden verpulvert dan krijg je echt uitzonderlijke zalfjes. En het smaakt ook niet verkeerd,’ smakte Heleen. 

De linkerhelft van het gezicht van de vrouw, de kant die naar beneden hing, trok wit weg en ze lispelde iets dat Heleen niet kon verstaan. In het gras naast het hoopje zand verscheen een meisje dat het evenbeeld was van haar moeder maar dan zonder de jaren, de oorlogswonden en zonder de verlamming. Ze had haar armen uitgestrekt alsof ze de nevel wilde pakken. Het beeld was verre van scherp. De emotionele ruis verstoorde waarneembaar de verbeeldingskracht van de vrouw en dat was precies waar Heleen op had gehoopt.

‘Oh, je bedoelt deze?’ smaalde Heleen. Ze kende elk hoekje en gaatje van haar creaturen; ze had er immers uren mee doorgebracht. En omdat zij geen last had van in-de-weg-zittende emoties was het beeld dat zij van Isolde toverde haarscherp.

De vrouw hapte naar adem. Isolde, riep ze en ze strompelde naar voren. Net toen de vrouw haar wilde aanraken begon het meisje te zweven en nam een houding aan alsof ze in krappe, onzichtbare kooi zat. Er verscheen een zinken badkuip onder het meisje en een hele dunne snede in haar hals. Het druppelende bloed stak af tegen de inmiddels kleurloze omgeving. Het leven zakte langzaam uit het kleine lijfje.

Heleen glunderde toen de vrouw door haar knieën zag zakken.

***

Het gevecht had alle energie uit de omgeving getrokken. Een deel hiervan hiervan zou herstellen. Voor een ander deel was dat nog onzeker en voor het broze deel zoals bloemen en kruiden was het duidelijk te laat, die lagen leeggezogen en verdord op hun zij. 

Ik heb haar gevonden, dacht Christina. Heel diep in haar lichaamf voorbij de woestijn begon er iets te stromen. Ik heb haar gevonden..

 Ze lag met haar wang tegen de grond. Ze had geleerd om neer te gaan op de momenten dat haar tegenstanders zich onoverwinnelijk waanden. Al die arrogante rotwijven denken dan dat ze gewonnen hebben. Op deze manier had ze de tijd om haar drift te verzamelen en een onverwachte aanval voor te bereiden. Het had haar vele malen uit benarde posities gered. Wie niet sterk is, moet slim zijn, ging dan altijd op. Door het slappe gras zag ze een pad huppen en concentreerde zich er op. Gladde huid, wratten, oranje ogen, brede mond, groot. 

Achter Heleen doemde een pad op zo groot als een hooischuur. Ze was nog teveel met zichzelf bezig om het door te hebben.

Christina transporteerde vlug alle energie naar haar voorstellingsvermogen. Tong, uitsteken, plakken, vangen.

***

Spuug liep langs haar weggerotte tanden. Onder haar ging de bodem constant op en neer.  ‘Laat me hier uit! Ik ga je krijgen, kreng. Ik laat me niet zomaar pakken.’ Heleen trapte en stompte in het rond maar haar armen en benen kleefden aan de tong en het verhemelte van het amfibie vast. 

Het dier was kennelijk tevreden met de smaak van het wezen dat hij zojuist gevangen had want hij zijn ogen liet zakken. Een teken dat hij het lekker vond.

Heleen werd door twee slijmerige ballen naar achteren gedrukt en verdween in het keelgat.

***

‘Ik maak je kapot!!!’ Was het laatste dat Christina hoorde.

‘Mijn naam is Christina Catherina Zwart.’

‘Mijn naam is Christina Catherina Zwart.’

‘Mijn naam is Christina Catherina Zwart,’ prevelde ze  ‘Ik ben niet gek. De pijn is niet te groot. Ik heb de controle.’

Na een gevecht kostte het haar altijd wat tijd om in de werkelijkheid te landen. Ze had het mantra ontwikkeld om zichzelf ervan te overtuigen dat de aanvaring voorbij was.

“Ik ben Christina Catherina Zwart” Ze zuchtte. De diepste zucht in 300 jaar tijd.

Geef een reactie

Comments (

0

)