Hel

Annabel ligt hijgend op haar rug in drassige grond. Het enige dat ze boven zich ziet, is een plafond met stalactieten en het gat waar ze net doorheen is gevallen. Een gat dat er uitziet als een wond; een kogelgat of de plek waar net een vleesthermometer heeft gezeten. Ze gaat snel rechtop zitten en kijkt nog een keer omhoog om er zeker van te zijn dat er niet nog iemand doorheen komt vallen. 

Overal om haar heen klinkt het alsof er duizenden baby’s in paniek zuurstof naar binnen aan het zuigen zijn. Schril, zoekend. De lucht voelt vochtig en warm en er hangt een weeïge geur. Roomboter doet het haar aan denken of gekookte kip. 

Als haar ogen gewend zijn aan het weinige licht kan ze wat beter zien waar ze zich bevindt. De meeste stalactieten hebben de stalagmieten bereikt en vormen op deze manier een zuil. Maar de zuilen buigen ook af en splitsen zich. Ze hechten zich als wortels in de grond of in het plafond. Als ze niet gevallen was dan kon boven ook beneden zijn en andersom. Het lijkt alsof ze zich in een gespiegeld mangrove bos bevindt.

Ze rent naar de dichtstbijzijnde zuil. Misschien kan ze omhoog klimmen? En terug het gat door? Het kan zijn dat de dorpelingen dan boven op haar wachten maar dat neemt ze op de koop toe. Alles in haar zegt dat ze hier zo snel mogelijk weg moet zien te komen.

Er glijdt vloeistof langs een van de wortels en ondanks haar weerzin het ding aan te raken, grijpt ze zich eraan vast. De wortel is warm en klam en krijgt ineens kippenvel. Annabel deinst achteruit. Nu pas ziet ze dat het bos bestaat uit honderden mensen die aan elkaar vergroeid zijn. Wat ze net voor een wortel aanzag is een verdraaid been. In de stammen ziet ze gezichten, sommige mensen kijken haar aan. 

Annabel struikelt naar achteren terwijl ze naar adem hapt. Ze graait met haar hand over de drassige bodem en bekijkt de inhoud. In donkere drek ziet ze tanden en stukjes bot zitten. De rillingen lopen over haar lijf ze begint een willekeurige kant op te rennen, zoveel mogelijk de vleesbomen ontwijkend.

‘Help me, ik wil hier weg. Of maak me wakker maar help me,’ is het mantra dat ze steeds herhaalt. Soms vangt ze de blik van iemand die precies zo gedraaid ligt dat zijn of haar gezicht volledig zichtbaar is maar dan went ze snel haar ogen af. ‘ Laat me alsjeblieft zometeen mijn ogen open doen en dat dit dan weg is. Dat ik in mijn eigen bed lig.’

Na wat een eeuwigheid rennen lijkt te zijn , neemt eindelijk de dichtheid van het bos af. Alleen is de ruimte veel nauwer. De ondergrond is hier wel beter begaanbaar. Het lijkt nu wat meer op wadlopen waar het daarnet nog zeulen door een moeras was. Alleen de zuigende wind klinkt hier harder maar waarschijnlijk komt dat doordat het plafond hier lager is. Ze neemt even de tijd om op adem te komen en merkt dan pas op hoe zeer haar natte voeten pijn doen. 

Met veel moeite krijgt ze haar schoenen uit. Op haar gerimpelde voeten zitten grote blaren. Ze duwt zachtjes op de grootste en het vocht verplaatst zich een beetje naar de bovenkant van de blaar. En dan barst ze in tranen uit.

Geef een reactie

Comments (

0

)