Zielepijn

Ik werk op dit moment aan een nieuw verhaal. Het is nog maar een ruwe schets maar hier alvast een voorproefje

Het zijn net krioelende mieren. Wat doen ze toch? Ik bonk, met een zwaar arm, op het raam. Binnen in de felverlichte hal lopen, nee, rennen mensen met stoelen, bedden, gereedschap en voedsel heen en weer. In de achterste hoek staat iemand de informatiebalie te demonteren. Ik druk mijn neus wat dichter tegen het raam en kijk tussen de letters I en S door. Misschien kan ik zo de aandacht van iemand trekken. 

Hallo?! 

Ik heb het idee dat de verpleegster die net langs het raam rent me heeft gezien maar dat ze me negeert. Ze heeft een hamer in haar handen. Wat moet een verpleegster met een hamer? 

Hallo? Ik heb hulp nodig en de deur doet het niet! Ik wijs naar de deur. Niemand reageert. Dit is toch belachelijk! 

Misschien heb ik een bordje gemist en is dit niet de ingang. Sinds vanochtend zie ik minder scherp en krijg ik mijn lijf nauwelijks in beweging. Het lijkt alsof mijn lijf aan het afzakken is. Niet dat het daadwerkelijk langs mijn lichaam glijdt maar meer alsof ik het aan het meezeulen ben. Alsof de rek eruit is en ik het omhoog moet houden. 

Ik heb echt een dokter nodig.

Ik doe een paar wankele stappen naar achteren. Geen bordje of een andere ingang. 

De verpleegster met de hamer en de man bij de balie tillen nu samen een grote plank op en lopen mijn kant op. Gelukkig. Geen idee hoe ze het deurprobleem met een plank willen oplossen maar ze hebben vast een idee.

De verpleegster is een wat mollige vrouw met kort rood haar en een bril met een blauw montuur. De man heeft een grote grijze baard en heeft een ingevallen gezicht. Hij ziet eruit als een patient en niet als een concierge maar ja, wat weet ik daar nou van. Als ze bij het raam zijn stoppen ze even om met elkaar te overleggen. Dan haalt de verpleegster een paar spijkers uit haar uniform die ze vervolgens aan de man geeft. Ze tillen samen de plank op en bedekken het raam. De vrouw staat achter de letters IEK de plank omhoog te houden. Ze doet haar uiterste best om mij niet aan te kijken. Wat doen ze nou? Wat gebeurd hier? 

Naast me komt een man staan. Hij heeft een grote wond op zijn schouder.

‘Ik heb werkelijk geen idee wat er aan de hand is. Ze laten ons niet meer binnen’, zeg ik.

De man draait zijn gezicht naar me toe. Hij ziet er echt niet goed uit. Hij lijkt wel groen. God, wat zielig.

‘We moeten naar een ander ziekenhuis, zeg ik tegen hem. Op dat moment realiseer ik me dat ik mijn eigen stem wel hoor maar ook weer niet echt. Ik hoor hem in mijn hoofd maar ik weet niet zeker of ik hij ook uit mijn lijf komt.

‘Bladiebliepdiebloe ’ Ja, dat hoor ik toch echt maar waar is mijn stem?

“Ramdiwopdidoe” Ik hoor een diepe roffel of een soort grom. Ik pak mijn lippen vast en voel.

‘Hellupppp!’ Mijn mond beweegt nauwelijks. Het enige dat ik op de achtergrond lijk te horen is. UHHHHHHH.

Oh, in godsnaam doe die deur open. Er is echt iets mis met me. Misschien heb ik wel een hersenbloeding gehad. Help! Ik bonk nog een keer en nu met meer overgave. De vrouw deinst naar achteren en kijkt me verschrikt aan. De man trekt haar aan haar arm terug en gebaard dat ze de plank moet vasthouden. Vanuit de andere hoek van de hal komen nog twee mensen aangesneld met een grote plank en zij bedekken de rest van de deur. 

Vlak voordat de planken op hun plek zitten, zie ik de verpleegster naar me kijken. Nog nooit heeft iemand zo naar me gekeken. Het is een combinatie van angst, medelijden, afgrijzen en schuld. Ik denk dat dit de blik is die mensen krijgen vlak voordat ze sterven. Ik schop en sla tegen het raam. De man naast mij staat inmiddels hetzelfde te doen. 

Geef een reactie